Gevoel voor het juiste moment

Het is 1962. Je wilt gymnastiekleraar worden, je zit in het eerste jaar van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Prachtige opleiding waar je het hartstikke naar je zin hebt. 50% theorievakken , 50% praktijkvakken. De theorievakken (anatomie, fysiologie pedagogiek maar ook interessante vakken als filosofie en ethiek) gaan je gemakkelijk af maar de praktijk is wat weerbarstiger. Weliswaar vormen de spelonderdelen en atletiek niet echt een probleem en gaan roeien, boksen en schermen echt lekker, maar het turnen is een andere zaak. Dat loopt voor geen meter. Omdat turnen logischerwijs zwaar meetelt voor het jaarresultaat doe je dapper mee aan het “krukkenuur”. Na de reguliere lessen is er voor minder getalenteerden deze extra oefengelegenheid waar goed gebruik van wordt gemaakt.

Één van de vele struikel- en buitelpunten is voor mij de vooropzet bij het ringzwaaien. Daarbij is het de bedoeling om vanuit de voorzwaai tot steun in de ringen te komen. Je kijkt jaloers naar sommige collega’s die daar helemaal geen moeite mee lijken te hebben. Jou lukt het, ook na talloze pogingen, niet. Het beste resultaat is hoogstens het met veel wrikken en inderdaad gesteun tot een halve steun te komen.

Het is meer: ik worstel en kom half boven. Maar nooit zo superieur als sommige van je studiegenoten. Hoe doen ze dat toch? Mij zal het nooit lukken, ik heb er waarschijnlijk te weinig kracht voor.

Maar je hebt geluk met je turndocent. Hij denkt niet in termen van kracht. Na een aantal lessen waarin hij mij heeft leren kennen en waarin hij mijn vruchteloos gestuntel heeft gezien, roept hij mij bij zich. 

“ Wim, ik heb je nou een aantal maanden geobserveerd en ik heb gezien dat je vreselijk je best doet.’’

Maar het komt er niet uit omdat je teveel in je hoofd zit. Je denkt teveel na. Nou is nadenken niet verkeerd maar bij turnen werkt het voor jou niet. Kom op: we gaan die vooropzet even oefenen. Eerst lekker zwaaien, op tijd afzetten met de voeten. Hoor je en voel je wat er gebeurt? Taa-dám en zwaai door, taa-dám en zwaai achter. Helemaal goed man, dat gaat lekker, nou even uitzwaaien en uitrusten. Nu komt de vooropzet. Ook nu niet denken maar luisteren naar het ritme. Weer het taa-dám van de afzet maar nu in de derde voorzwaai ook weer taa-dám, maar nu voeten en heupen na elkaar omhoog gooien.”

Kijk zo doe je dat. Hij laat me zien wat de bedoeling is middels een armzwaai waarbij hij aan het eind van de voorzwaai snel zijn arm strekt. Je vertrouwt deze man inmiddels en neemt hem serieus. Dus daar gaan we weer, op hoop van zegen. Lekker zwaaien, je voeten doen steeds taadám, taadám. Maar nu komt de derde voorzwaai. Een extra taadám van voeten en heupen en….een wonder geschiedt. Je vliegt omhoog tot steun. Gestrekte armen en knuisten in de billen. Hoezo kracht nodig? Je gaat zo licht als een veertje. Wat een aha-erlebnis. Het lukken geeft inderdaad een geluksgevoel.

Een les voor het leven.

Les 1: “Kan niet, vind het niet leuk” wordt in het vervolg vervangen door “kan het nog niet, vind het nog niet leuk”.

Les2 : Bij het leren en  uitvoeren van sommige motorische activiteiten zit denken in de weg en gaat het vooral om gevoel. Het gaat vooral om het gevoel voor het juiste moment. 

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag