Geen oogkleppen maar lenige nekjes

Mark van Bommel maakte in een televisiegesprek duidelijk dat hij in het begin van zijn carrière letterlijk een eyeopener had gehad. Zijn ploeg PSV speelde destijds tegen Arsenal. Waarom was zijn tegenstander Dennis Bergkamp zijn ploeg steeds te snel af? Het viel hem tijdens de wedstrijd op dat Bergkamp continu om zich heen keek om ruimtes en posities te verkennen. Voor van Bommel een belangrijk leermoment.
Dat continu rondkijken is kenmerkend voor sporten die gebaseerd zijn op open vaardigheden (open skills). Daarmee wordt bedoeld dat deze vaardigheden worden beïnvloed door steeds veranderende omstandigheden in de omgeving. Bij gesloten vaardigheden (closed skills) als bv. turnen of schoonspringen is die beïnvloeding er nauwelijks. Natuurlijk zijn er altijd kleine invloeden van buiten zoals licht, publiek en jury die meespelen. Deze sporters zullen erop gericht zijn om ook die factoren buiten te sluiten. Hun bewegingsverloop bij hen wordt grotendeels gestuurd door informatie die komt vanuit hun spieren en gewrichten. Dus informatie vanuit hun lijf. Het inslijpen van de beweging door talloze herhalingen is bij hen een belangrijk leerdoel. Natuurlijk moet de turner Epke Zonderland veel werken aan kracht, lenigheid en soepelheid maar hij hoeft geen rekening te houden met veranderingen in zijn omgeving. Wel is het materiaal bij hem van relatief groter belang dan dat van de voetballer. Een rekstokinstallatie van Jansen& Fritsen turnt voor Epke weer heel anders dan die van de concurrent.
Het is goed om bij het oriënteren door sporters onderscheid te maken tussen kijken en zien. Bij kijken gaat het om de zintuigelijke input. Zien geeft betekenis aan deze informatie; de sporter begrijpt op basis van eerdere ervaringen wat er gebeurt. Voor zeilers is het besluit om al dan niet overstag te gaan afhankelijk van veel factoren. Natuurlijk de windrichting maar ook wolkenformaties, rimpelingen in het wateroppervlak en natuurlijk de positie en acties van concurrenten.
Voetballers ( en andere veld -en zaalsporters) moeten ook permanent veranderende informatie verwerken. Zij hebben te maken met wisselende posities van bal, medespelers, tegenstanders en zelfs de positie van de scheidsrechter als zij bepaalde acties willen verbloemen. Ook voor hen zijn weersomstandigheden zoals zon, wind en regen en de toestand van het veld van invloed op hun keuzes voor actie. Zelfs standaardsituaties als vrije trappen en strafschop, kennen geen vast bewegingsafloop want muurtjes en de positie van keepers dwingen steeds weer tot aanpassing.
Voetballers hebben dus, als het goed is, bewegelijke nekken. Die zijn nodig om zich te oriënteren in de ruimte en om goede keuzes te maken. Aanvallers dienen zelfs zeer bewegelijke nekken te hebben want zij moeten zich meer dan verdedigers naar voren én naar achteren oriënteren. Verdedigers kijken een groter deel van de tijd naar voren. Wat overigens niet betekent dat zij beter voorúitkijken, anticiperen, want dat is weer een aparte kwaliteit die ook te maken heeft met intuïtie.
In het spel van jonge kinderen kan je al grote verschillen waarnemen in hun bewegingsgedrag. Vaak is hun voorkeur voor gesloten of open vaardigheden daaruit te verklaren. Omdat deze oriëntatievaardigheden vooral de leeftijd van 6 tot 9 jaar goed zijn te trainen, is het van belang om in deze leeftijdsfase goed bewegingsonderwijs aan te bieden. Per slot van rekening helpen lenige nekjes ook om de ander te zien.

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag