Krachtig pleidooi voor preventie

Roept u ook wel eens “buitenspel”! als een aanvaller plotsklaps achter de verdedigers opduikt en de bal aanneemt? En ziet U dan ook vaak op de langzame herhaling dat hij op het moment van spelen toch echt gelijk of voor de verdedigers stond en dat het dus geen buitenspel was? U ziet dan wat versnellen doet.

Kunnen versnellen op de eerste meters is bij voetbal essentieel om balbezit te krijgen, een tegenstander af te schudden of een dieptepass te kunnen belopen.

Om te kunnen versnellen is spierkracht nodig. Uit de formule F (kracht) = M (massa) x A (versnelling) kunnen we afleiden dat bij gelijkblijvend gewicht een grotere kracht leidt tot een grotere versnelling. Vandaar ook de populariteit van het krachthonk. Cruijff was met zijn ranke lijf en zijn stevige poten een meester in de versnelling. In de huidige tijd is Messi een goed voorbeeld.

Versnellen is veranderen van de grootte van de snelheid maar ook van de richting van de snelheid. Dat kan het dus gaan om het bereiken van een hogere snelheid óf een lagere snelheid. Afremmen kost dus ook kracht maar is even belangrijk om een tegenstander af te schudden. Afwijkingen van de looprichting vragen eveneens kracht.

Atletieksprinters zijn kampioen versnellen in een rechte lijn. Zij moeten binnen 4 seconden van een snelheid 0 meter per sec. naar ongeveer 11 meter per seconde. Met hun machtige lijven, vooral ook bovenlijven, hebben zij voor die prestatie geen zuurstof nodig. Topsprinters halen op de 100 meter niet of nauwelijks adem. Alles wat nodig is om te versnellen ligt al opgeslagen in hun spieren. Zij maken gebruik van hun anaerobe vermogen, zuurstof is dan niet nodig. Naarmate een prestatie langer duurt, wordt het vermogen om zuurstof op te nemen en de doorbloeding van de spier om zuurstof ( en voedsel) aan te voeren belangrijker. Het aerobe vermogen is dan belangrijk. De energie van voetballers wordt voor meer dan 90 procent aeroob geleverd. Loopwonders op het middenveld hebben meestal meer rode ( meer doorbloede ) spiervezels die langer energie kunnen leveren, spitsen meer witte vezels die kort en krachtig kunnen samentrekken.

Spieren van sporters zijn aangepast aan de gevraagde activiteit. Lopen vraagt om een stootsgewijze actie van de spieren. In de zweeffase ontspannen ze en bij de landing en afzet volgt een kortdurende contractie. Voetballers hebben vaak korte hamstrings als gevolg van hun specifieke spierbelasting. Bij wielrennen is de beweging veel cyclischer en zijn de belastingen dan ook veel gelijkmatiger. Zij hebben vaak wat langere spieren. Dat is ook de reden waarom beginnende triatleten moeite hebben bij de overgang van het fietsen naar het lopen. Hun spieren moeten zich aanpassen.

De explosieve bewegingen van de voetballers die alle kanten uit gaan ( want springen hoort er natuurlijk ook bij ) vragen dus veel van hun bewegingsapparaat. Daarbovenop komt dan nog eens de fysieke druk van de tegenstanders. Die zware belasting vraagt een hoge tol van het lichaam. Sterke spieren zijn vaak de eerste verdedigingslinie van het lijf om blessures te voorkomen.

Vooral in de jeugd moet men daarom al gericht met preventie beginnen. Dat geldt speciaal ook voor pubers tijdens hun groeispurt. In die tijd blijft de spiergroei namelijk vaak een korte periode achter bij de botgroei. Dan komt ook de coördinatie van bewegingen onder druk te staan en is trainen met beleid geboden.

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag